header hoochsaet

van Hoochsaet naar Hoogzaad

van verleden naar heden

Jan Hoogzaad 1824 – 1885
Van dagloner tot rijke herenboer

Over deze Jan Hoogzaad is zoveel bekend dat er een apart artikel in de rubriek verhalen aan hem wordt gewijd.

Jan werd op 4 januari 1824 in Heerhugowaard geboren als vijfde kind uit het gezin van Willem Hoogzaat en Maartje Mul. Jan is 17 als we hem in het bevolkingsregister aantreffen. Hij werkt dan bij landbouwer Pieter Weel in Tuitjenhorn en vertrekt op 27 januari 1851 naar Pieter Smal in de Wogmeer. In die tijd wordt de buurman van Pieter, Herman Kaldenbach ernstig ziek. Herman, veeboer, heeft een grote boerderij met ruim een bunder bouwland en bijna 10 bunder grasland voor het vee. Hij heeft geen arbeiders in loondienst en is blij dat Jan besluit om bij hem te gaan werken.
Als Herman, 58 jaar, op 18 juni 1852 overlijdt, neemt Jan het hele boerenbedrijf waar. Hij beperkt zijn taak niet alleen tot de zorg voor het land en de levende have binnen en buiten de schuur. Ook gunt hij de droeve weduwe Geertje Winnebest zijn meelevendheid die dat weet te waarderen.
Binnen een jaar is Geertje van zijn liefde overtuigd. Jan, boerenknecht, en Geertje, landvrouw, trouwen op 28 april 1853 in Hensbroek. Jan is dan 29 en Geertje 58 jaar en beiden blijven op de boerderij wonen.
In de huwelijkscontracten van 24 april 1853 die ze beiden opstellen, staat duidelijke vermeld dat ze hun bezittingen en schulden van voor het huwelijk buiten de gemeenschap van goederen houden. Alles wat na het huwelijk wordt verworven is gemeenschappelijk bezit of schuld.
In de testamenten die ze beiden nog geen maand later op 18 mei 1953 laten opmaken ter gelegenheid van hun huwelijk leggen ze vast dat de langstlevende alle bezittingen van de overledene erft. Dan wordt ook duidelijk dat de vermogens van Jan en Geertje nogal verschillen. Jan bezit ongeveer ƒ 100,-- aan kleederen, goud en zilverwerk en heeft geen schulden. Geertje bezit aan huisraad, inboedel, goud en zilver, kleederen, levend vee, rijtuigen, hooi, stroo, boter en kaas een bedrag van ƒ 13.000.--. De waarde van huis en land wordt getaxeerd op ruim ƒ 10.000,-- en ze heeft een schuld ƒ 2.000,--. Geen slechte deal voor Jan. Hij gaat zich als een rijke herenboer gedragen met alle gevolgen van dien, want onze Jan ontbeert het zakelijk inzicht dat hierbij hoort.
Ruim anderhalf jaar later vindt de eerste verkoop plaats en betrekken Jan en Geertje een woning in Obdam. Geertje verkoopt dan, geassisteerd door Jan, de boerderij en delen van het land voor ƒ 16.321,--. Een maand later brengt de tweede verkoop, een tweedaagse inboedelverkoop van roerende goederen, nog eens ruim ƒ 1100,-- op. Bij die verkoop zien we de eerste dag onder de vele kopers zijn broer Cornelis uit Heerhugowaard verschijnen die voor ƒ 0,25 een leidsel en voor ƒ 1,05 een ploeg koopt. Op de tweede dag treffen we uit Heerhugowaard zijn zus Trijntje aan die schotels koopt ter waarde van ƒ 1,--, terwijl zijn broer Pieter voor ƒ 1,05 borden en schilderijen koopt. Jan en Geertje hebben hiermee een bedrag van ƒ17.421,-- opgehaald. De huidige waarde hiervan is € 141.172,--.
 
Van herenboer tot koopman in ijzerwaren

Uit de akte van 4 maart 1857 blijkt dat Jan, die dan koopman is, een schuld van ƒ 2.000,-- heeft aan Neeltje Kunst. In 1859 is Jan rentenier en verkoopt hij land voor ƒ 8.537,-- aan Klaas Appelman en voor € 2.000,-- land aan Cornelis Trompetter. Ook al is het totaal vermogen van Jan en Geertje op dat moment niet bekend, zal het toch wel zo’n ƒ 25.000,-- geweest zijn. Daarvan is de huidige waarde € 232.000.--. Van 1 februari 1859 tot 10 juli 1861 wonen Jan en Geertje in Hoorn op het Grote Noord. Jan heeft een huis met erf gekocht en is koopman in ijzerwaren.

Op 9 april 1861 verschijnt er een advertentie in de krant. Schuldeisers worden verzocht zich te melden bij notaris Mr. J.A. Haakman. Jan is failliet en verliest ongetwijfeld een deel van zijn vermogen, maar laat zich niet uit het veld slaan. Jammer genoeg is er over een openbare verkoop van de inboedel en zijn financiële toestand niets te vinden. Het stadje Hoorn is gewoon te klein voor deze “grote zakenman” en hij verhuist op 10 juli 1861 met Geertje naar Amsterdam. Ook daar begint hij weer als koopman in ijzerwaren. In deze grote stad is het stel niet altijd te traceren. Op 17 juli 1861 vestigen ze zich op de Kerkstraat 600. Vijf maanden later zijn ze te vinden op de Engekapelstraat 272 en daarna, zijn ze een tijdje spoorloos, totdat Jan, zonder beroep, en Geertje op 28 april 1863 weer in Hoorn opduiken en zich eerst op Oude turfhaven 389 vestigen, daarna op Kuil 123 en tenslotte op Grote Oost 333. In deze Hoornse periode is Jan in dienst van het brandwezen en heeft de taak om de voorslang te bedienen. Hij staat bij brand vooraan.